Zo hé, maart. Het was me wat. Ik geloof dat het een naar-binnen-keermaand was. Maar ook weer niet helemaal. Het was een maand van soms even tegen een muur lopen, maar dan uiteindelijk altijd toch een raam of zelfs een deur in die muur ontdekken. En er waren zelfs momenten dat alle muren even wegvielen. Hallo leven, wat ben je groot.
De maand begon met iets dat ik spannend vond. Na een lange aanloop en veel stress in de voorbereiding, ging het van een leien dakje. Blijkbaar hoefde ik alleen maar af te rekenen met de spoken in mijn hoofd – in het echt kwam er geen spook aan te pas. Het was zo’n ervaring die iets verschoof in mijn binnenste. Hoi deur in muur. Ik kon er gewoon doorheen. Nieuwe ruimte.
Februari, wat was je nieuw. Niet fonkelend stralend spectaculair nieuw, maar gewoon rustig borrelend en broeiend nieuw. Zoals buiten. Nog geen over de top bloesemfeest, maar het nieuwe van de lente hangt toch echt al onmiskenbaar in de lucht.
Ik luisterde er een podcast over. Over het nieuwe van februari, om ons en in ons. En hoe de uitnodiging niet is om al het nieuwe leven de grond uit te trekken, maar hoe we worden uitgenodigd om het zachtjes te koesteren, te beschermen en te voeden. Zodat het wortel kan schieten.
Die podcast kwam op het juiste moment. Ik luisterde ‘m in een week waarin mijn agenda angstaanjagend leeg was, en in plaats van ‘m zo gauw mogelijk te vullen, besloot ik van de rust en ruimte gebruik te maken. Ik mijmerde veel die week. Ik voelde. Ik vroeg me nieuwsgierig af wat voor nieuws er bij mij onder de grond aan het ontkiemen is. Hoe het eruit ziet weet ik nog niet, maar ik kan me er wel op afstemmen en mijn oren en ogen openhouden. Ik maakte een moodboard met alles wat deze tijd mijn naam fluistert. Woorden, beelden, sferen die zachtjes aan me trekken, die mijn hart sneller laten kloppen, die ergens diep in me iets aanraken. Het was fijn om er bij stil te staan. Wie weet wat eruit groeit.
Ik genoot van de zon. Van buiten op de tuinbank mijn boterham opeten. Soms een boek erbij, of juist het gezelschap van Floris. Het is nog koud, maar met een sjaal en extra vest kan het net, besloot ik.
Dag januari. Wat had je veel in je. Ik kan me geen januari herinneren die zo snel voorbij vloog. Ik zat er zo diep in dat ik de tijd vergat.
Je was een maand van onderweg zijn. Letterlijk: ik kan toch zeker de helft van de provincies afstrepen. Een paar dagen in Zeeland, een feestje hier, een opleiding daar. Mijn weekendabonnement voor de trein bleek een gouden vondst.
En figuurlijk was ik ook onderweg. Innerlijke processen die door mijn opleiding aangewakkerd werden. Soms is er geen weg terug, en ook geen weg omheen. Dus dan maar op volle kracht – en met volle kwetsbaarheid – er doorheen.
Was ik maar een tunnel, stond er op een brugwachtershuisje in Middelburg. Ik glimlachte, maakte een foto en rolde mijn koffertje verder richting de airbnb.
Soms zou ik het ook wel willen, een tunnel zijn.
Gewoon rechtdoor, niks anders dan dat. Niets dat me af kan leiden van mijn eigen koers. Geen getwijfel over links of rechts. Geen kans om te verdwalen. Soms lijkt het me wel wat.
Maar ik ben geen tunnel.
Ik ben denk ik meer een open zee.
Ik golf mee met de wind. Dan weer dein ik hard en onstuimig naar links, het volgende moment kabbel ik rustig rechtsom. Een golf in mij waait hoog op, slaat ruw om, en verdwijnt weer in mijn diepte. Ik kom aan land, steeds opnieuw, steeds opnieuw.
Gelukkig houd ik van de zee. Veel meer nog dan van tunnels, om eerlijk te zijn. Laat me maar een beetje waaien, mijn eigen vrije ritme volgen. Eb en vloed, eb en vloed. Dan ben ik geloof ik op m’n best.
Dat huisje op de brug mag van mij een tunnel zijn. Dan ben ik wel de zee.